Proefschriften

Surgical strategies in MEN1 related pancreatic neuroendocrine tumors - S. Nell

Het Multipele Endocriene Neoplasie (MEN) 1 syndroom is een erfelijke aandoening waarbij ongeveer de helft van de MEN1-patiënten een tumor in het pancreas (pNET) ontwikkelt. Er zijn verschillende type pNETs ingedeeld naar het type hormoon productie. Veel voorkomende pNETs zijn: insulinomen, gastrinomen en niet-functionele pNETs (NF-pNETs). NF-pNETs produceren geen hormonen. Patiënten ervaren hierdoor geen klachten van dit type tumor. NF-pNETs worden doorgaans gevonden tijdens screeningsonderzoek.

PNETs bij MEN1 patiënten ontstaan vaak op jonge leeftijd in de vorm van meerdere goedaardige tumoren maar kunnen kwaadaardig ontaarden. Om te voorkomen dat een pNET zich kwaadaardig ontwikkelt, ondergaan MEN1 patiënten gedurende het leven meerdere malen ingrijpende operaties met een grote kans op korte- en lange termijn-complicaties. Het bewijs voor de huidige chirurgische strategieën voor pNETs bij MEN1 patiënten is echter zeer beperkt. Onduidelijk is wanneer MEN1 patiënten het beste geopereerd kunnen worden, met welke operatiestrategie de minste complicaties optreden en welke strategie tot de grootste overlevingswinst leidt.

Laparoscopic antireflux surgery and hiatal hernia repair: techniques and outcome - J.E. Oor

In dit proefschrift is gekeken naar de korte en lange termijn uitkomsten van laparoscopische antirefluxchirurgie en de laparoscopische correctie van hiatus hernia (middenrifbreuk). Het eerste deel van het proefschrift (4 hoofdstukken) richt zich op de korte- en lange termijn uitkomsten van meerdere laparoscopische antireflux procedures. Zo zijn er twee hoofdstukken gewijd aan de verschillen in uitkomsten tussen 270 graden posterieure (Toupet) en 180 graden anterieure partiële fundoplicatie, waarbij we onder andere middels 24-uurs gecombineerde pH-impedantiemetingen hebben gekeken naar de fysiologische effecten van beide typen partiële fundoplicatie. Het tweede deel van het proefschrift (5 hoofdstukken) richt zich op de chirurgische correctie van hiatus hernia (middenrifbreuk). Hierbij hebben we gekeken naar de veiligheid van het uitvoeren van deze operatie bij oudere patiënten, en naar het voorkomen en de behandeling van deze aandoening bij patiënten die eerder een slokdarmresectie hebben ondergaan. Daarnaast beschrijven we een nog niet eerder beschreven methode waarbij simultaan via een laparoscopische en thoracoscopische benadering grote middenrifbreuken kunnen worden gecorrigeerd. Het belangrijkste deel van deel II van dit proefschrift richt zich op de rationale voor het wel of niet routinematig gebruik van een niet-oplosbare mesh ter versteviging van de cruraplastiek (middenrifbreuk-correctie), waaraan twee hoofdstukken zullen worden gewijd, waaronder 1 gerandomiseerde multicenter studie.  

Treatment strategies for acute cholecystitis - C. Loozen

Acute galblaasontsteking (acute cholecystitis) is een veel voorkomende aandoening die in meer dan 90% van de gevallen veroorzaakt wordt door galstenen. In westerse landen komen galstenen voor bij circa 1 op de 10 volwassenen; een prevalentie die lineair toeneemt met de leeftijd. 1-4 Indien deze galstenen een obstructie van de galwegen veroorzaken kan dit een ontsteking van de galblaas tot gevolg hebben.

Advantages in the Surgical Treatment of Reflux Disease - D. Roks

In dit proefschrift is de chirurgische vooruitgang in de behandeling van gastro-oesofageale refluxziekten (GORZ) onderzocht. Dit proefschrift heeft beoogt te onderzoeken of conventionele of laparoscopische (kijkoperatie) chirurgie voor refluxziekte de beste uitkomst geeft met behoud van refluxcontrole en met zo min mogelijk hinderlijke postoperatieve bijwerkingen, zoals slikklachten of een opgeblazen gevoel. Eveneens werden de effectiviteit en bijwerkingen van verschillende laparoscopische operaties voor de behandeling van refluxziekte onderzocht, middels systematische reviews, meta- analyses en midden- en lange termijn resultaten van gerandomiseerde klinische trials (RCT) . De twee best presterende partiële operaties (fundoplicaties) werden in een RCT vergeleken. De studies beschreven in dit proefschrift leiden tot de volgende resultaten: - Laparoscopische fundoplicatie is geassocieerd met het minder vóórkomen van littekenbreukcorrecties vergeleken met de conventionele fundoplicatie na 17 jaar follow-up. - Laparoscopische 180° anterieure fundoplicatie geeft langdurige controle van refluxsymptomen met minimale postfundoplicatie bijwerkingen vergeleken met Nissen fundoplicatie, welke wordt geassocieerd met het frequenter voorkomen van voorbijgaande bijwerkingen tot 12 jaar postoperatief. - Laparoscopische 90° anterieure fundoplicatie is geassocieerd met minder goede reflux controle t.o.v. 180° anterieure fundoplicatie - Op basis van de in dit proefschrift uitgevoerde RCT is er op korte termijn geen verschil tussen laparoscopische Toupet- en laparoscopische 180˚ anterieure fundoplicatie in het controleren van gastro-oesofageale refluxklachten en oesophageal zuurexpositie, met daarbij een lage frequentie van postoperatieve bijwerkingen en hoge patiënttevredenheid. Concluderend is laparoscopische partiële fundoplicatie de chirurgische de behandeling van keuze voor gastro-oesofageale refluxziekte. Op korte termijn is daarbij geen verschil tussen laparoscopische 180˚ anterieure fundoplicatie of 270˚ posterieure fundoplicatie (Toupet).

Surgery and medical therapy in Crohn’s disease, improving treatment strategies - E.J. de Groof

De ziekte van Crohn en colitis ulcerosa zijn chronische inflammatoire darmziekten die grote impact hebben op de kwaliteit van leven van patiënten van vaak jonge leeftijd. Dit proefschrift bespreekt de multidisciplinaire behandeling van met name de ziekte van Crohn waarbij medicamenteuze en chirurgische strategieën met elkaar worden vergeleken. In het eerste deel wordt de epidemiologie van inflammatoire darmziekten beschreven waarbij uit een populatie gebaseerd cohort bleek dat de prevalentie in Nederland nog steeds toeneemt. In deel twee wordt de behandeling van ileitis terminalis bij de ziekte van Crohn beschreven. In de LIR!C trial waarin laparoscopische ileocoecaalresectie werd vergeleken met infliximab behandeling toonde we aan dat na 12 maanden, laparoscopische ileocoecaalresectie minstens zo effectief was als infliximab in het verbeteren van de kwaliteit van leven. Verder zien we dat patiënten sinds de introductie van anti-TNF intensiever behandeld worden met immunosupressiva. Dientengevolge is het tijdsinterval tussen de diagnose van de ziekte van Crohn en een ileocoecaalresectie groter geworden. Het optimaliseren van de behandelprotocollen heeft door de jaren heen niet geresulteerd in een afname van de lengte van het resectie preparaat, zoals soms ten onrechte wordt aangevoerd als een van de voordelen van behandeling middels anti-TNF. Operatieve technieken zijn in de afgelopen decennia ontwikkeld. In een internationale multicenter studie observeerden we dat de postoperatieve pijn scores significant lager waren na single port ileocoecaalresectie en dat patiënten aanzienlijk minder pijnstilling nodig hadden vergeleken met de multi port groep. In het derde deel wordt de behandeling van perianale fistels beschreven. Uit literatuur onderzoek blijkt dat de percentages van fistelsluiting en recidieven na behandeling met zowel seton drainage, als anti-TNF sterk uiteen lopen. De PISA trial werd opgezet om de efficiëntie van anti-TNF te vergelijken met chirurgische strategieën. Verder tonen we aan dat perineale complicaties en slechtere wondgenezing zich significant vaker voordeden bij Crohn patiënten na close rectal dissectie vergeleken met totale mesorectum excisie, waar aanvankelijk verondersteld werd dat het achterlaten van het mesorectum bij proctectomieën de complicaties juist zou verminderen. Er werd geen verschil gezien tussen de technieken bij colitis ulcerosa. Dit zou verklaard kunnen worden door de verhoogde pro-inflammatoire myeloïde cel populatie met verminderd aantal wondgenezingsmacrofagen in het mesorectum bij Crohn en suggereert dat mesorectum excisie van cruciaal belang is bij deze patiënten.

Rectal Prolapse: In search of the Holy Grail - Jan van Iersel

The treatment of (internal and external) rectal prolapse (IRP/ERP), and its affiliated rectocele and enterocele, has become an increasingly important part of health care over the years. Although benign, rectal prolapse is associated with a myriad of debilitating symptoms including fecal incontinence, obstructed defecation syndrome and pelvic discomfort. Considering the increasing prevalence, the high costs and the major impact on the quality of life, prolapse of the posterior compartment of the pelvic floor constitutes a significant health issue.
A proper pre-operative assessment is crucial. Physical examination has its limitations and therefore dynamic imaging plays an important role. The two most commonly used techniques, conventional dynamic defecography (CD) and dynamic magnetic resonance imaging (D-MRI), were compared but no superiority was found of either technique. Based on our study and the literature it appears that CD and D-MRI are complementary imaging modalities in the evaluation of patients with symptoms of prolapse of the posterior compartment.
The difficulty in treating rectal prolapse is shown by the astounding number of surgical procedures—more than 300—that have been developed. The Dutch prolapse guideline, incorporated in this thesis, concluded high-quality evidence on rectal prolapse surgery is lacking. Based on observational series and expert opinion Laparoscopic Ventral Mesh Rectopexy (LVMR) is recommended as the first choice to treat high-grade symptomatic IRP and ERP in the Netherlands. In this thesis, the literature and our studies show that both LVMR as Robot-Assisted Ventral Mesh Rectopexy are safe and effective on the long term in large cohorts of patients.
Rectal prolapse frequently occurs with prolapses of other compartments. A multi-compartment assessment of the pelvic floor before planning surgical repair in every patient with a prolapse is essential to avoid possible under-treatment. To date no standardised multi-compartment procedure exists. In this thesis we show a significant improvement of quality of life, functional and sexual outcomes following Robot-Assisted Sacrocolporectopexy (RSCR) for multi-compartment prolapse.
In recent years the public opinion has turned against synthetic grafts based on high mesh erosion rates following transvaginal repair. We show, however, that synthetic meshes for abdominal pelvic reconstructive surgery are safe in the long-term.

Appendicitis in children; insights into an old problem - Ramon Gorter

Acute appendicitis is a common gastro-intestinal disease, affecting approximately 1 in 1000 inhabitants of the Netherlands each year. Till date the standard of care is appendectomy either by laparoscopic or open approach as advised by (inter) national guidelines. Recently, the irreversible progressive nature of appendicitis is being questioned in the literature. It is now endorsed that two types of appendicitis exist: simple and complex appendicitis. The two types differ in clinical, biochemical, radiological and pathological features as shown in this thesis. Differentiation between the two is essential in order to select patients with simple appendicitis. These patients might benefit from the initial non-operative treatment strategy, reserving an appendectomy for those not responding or with recurrent disease. Short- and long-term outcome of this strategy in the pediatric population are presented in this thesis.  

Quality Assessment of Laparoscopic Hysterectomy - Sara Driessen

Het proefschrift omschrijft de ontwikkeling en validatie van een real-time kwaliteitsindicator waarbij individuele chirurgische prestaties van gynaecologen op een eerlijke manier gemeten worden. Deze kwaliteitsindicator is uniek omdat er gecorrigeerd wordt voor “case-mix”; dit zijn patiënt karakteristieken die van invloed kunnen zijn op klinische uitkomsten (bijv. een hoge BMI, of een grote uterus). Verder biedt deze nieuwe indicator mogelijkheden tot verbetering en kunnen operateur zichzelf reflecteren, iets wat in de huidige tijd steeds belangrijker wordt om de patiënt veiligheid te waarborgen en te verbeteren. Meer dan 180 binnen- en buitenlandse gynaecologen gebruiken inmiddels deze nieuwe kwaliteitsindicator (www.qusum.org).

Adenocarcinoma of the gastroesophageal junction: challenges in staging and treatment - Kevin Parry

Slokdarmkanker is een agressieve vorm van kanker, waarvan de incidentie nog altijd toeneemt. Dit komt met name door de stijgende incidentie van het adenocarcinoom van de gastro-oesofageale overgang of junctie (GEJ). Over de optimale behandelingsstrategie voor deze tumoren bestaat nog veel onduidelijkheid. Doordat GEJ tumoren precies op de overgang van slokdarm naar maag zitten, bestaat er discussie over de juiste vorm van neoadjuvante therapie als ook de soort chirurgie.  In dit eerste deel van dit proefschrift laten we zien dat voorbehandeling met chemotherapie voor deze tumoren alleen van toegevoegde waarde is in een derde van de patiënten die hiervoor sensitief zijn. Daarom is het belangrijk om voorspellende biologische en radiologische factoren te vinden die de sensitiviteit van chemotherapie voor de start van behandeling kan voorspellen of tijdens de behandeling kan vaststellen om zo de eventuele behandelingsstrategie te kunnen aanpassen indien noodzakelijk. Met betrekking tot chirurgie (bij type II tumoren) zagen we dat bij een maagresectie de tumor in 71% van de patiënten in zijn geheel verwijderd was (radicale resectie), ten opzichte van 89% bij patiënten met een slokdarmresectie. Tevens zien we dat 11% van de patiënten uitzaaiingen heeft in hoog mediastinale lymfklieren, welke alleen meegenomen kunnen worden met een slokdarmresectie. Echter, multivariable analyse liet geen significant verschil zien op overlevingsduur tussen beiden chirurgische technieken. Dit werd bevestigd in de landelijke database, waaruit blijkt dat neoadjuvante therapie een grotere invloed heeft op overleving. In het tweede deel van het proefschrift laten we zien dat het gebruik van Intermittent Pneumatic Compression ter preventie van veneuze trombose na slokdarmresectie een effectieve maatregel is om veneuze trombose in deze patiënten te verminderen. Daarnaast zijn locatie van positieve lymfklieren en locatie en aantal recidieven belangrijke voorspellers van algehele overleving. 

 

Risk assessment and perioperative care in perihilar cholangiocarcinoma - Robert-Jan Coelen

Perihilair cholangiocarcinoom (PHC), ook wel bekend als ‘Klatskin’ tumor, is een zeldzame vorm van kanker die ontstaat rond de samenkomst van de grote galwegen in de leverhilus. De behandeling van PHC kent vele knelpunten, waardoor het een van de meest complexe vormen van kanker is in het maagdarmstelsel. Dit proefschrift bespreekt aanbevelingen voor de stadiëring van PHC, de risico-inschatting en zorg rondom de operatie, teneinde bij te dragen aan de verbetering van patiëntselectie en veiligheid van de operatie.

In het eerste deel van het proefschrift wordt de galwegdrainage rondom operatie besproken. Dit is een technisch lastige procedure die nog vaak wordt verricht in regionale ziekenhuizen met een laag therapeutisch succespercentage. Wij observeerden dat initiële inadequate drainage nadelig was voor het behandeltraject tot aan operatie. Twee technieken die in Nederland worden toegepast zijn de endoscopische en percutane benadering. Uit ons onderzoek bleek het risico op lokale uitzaaiingen door gebruik van deze drains gelijk en was de lange termijn overleving vergelijkbaar. Het gebruik van externe galwegdrainage na resectie van PHC wordt niet aanbevolen gezien de bevinding dat deze patiënten een hoger risico hebben op postoperatief leverfalen.

Het tweede gedeelte bespreekt de beperkingen en potentiële verbeteringen van de preoperatieve stadiëring. Onderzocht werd of een gemodificeerd herpesvirus kan worden ingezet voor de detectie van galwegkanker. Tevens werd een nieuw stadiëringssysteem geëvalueerd op het vermogen om patiënten met PHC in te delen in verschillende prognostische stadia. In dit deel van het proefschrift wordt ook de diagnostische accuratesse van de stageringslaparoscopie onderzocht en wordt een risicoscore gepresenteerd die kan worden gebruikt om de juiste patiënten voor deze procedure te selecteren. Voor patiënten die niet in aanmerking komen voor resectie van de tumor, wordt een nieuwe lokale ablatie therapie besproken.

In het derde deel van het proefschrift komt de preoperatieve risico-inschatting aan bod en wordt een risicomodel beschreven welke nauwkeurig de kans op overlijden na operatie kan voorspellen. Het gebruik van de hepatobiliaire scintigrafiescan voor leverfunctie meting, lijkt tevens een betrouwbaar hulpmiddel om de kans op leverfalen na resectie in te schatten.

New Approaches to the Surgical Treatment of Intra-Abdominal Infection - Irene Mulder

Een van de meest voorkomende oorzaken van abdominale infecties is diverticulitis. Divertikel ziekte leidt in Nederland tot 18.000 ziekenhuisopnames per jaar. De ziekte komt voor in verschillende verschijningen: van asymptomische diverticulose tot geperforeerde diverticulitis met systemische sepsis. Classificatie van de ernst van de ziekte door middel van CT-scan op basis van de Hinchey classificatie blijkt een  diagnostische accuraatheid tussen de 71 en 92% te hebben. Daarom adviseren wij een nieuw gradatie systeem om richting te geven aan de behandeling van diverticulitis.

De chirurgische behandeling van diverticulitis bestaat van oudsher uit een sigmoidresectie met eindstandig colostoma of met primaire anastomose. Een minder invasieve behandeling middels laparoscopische lavage is onderzocht in de gerandomiseerde Ladies trial. In de LOLA arm werd de laparoscopische lavage vergeleken met een sigmoidresectie. Deze studie toonde dat er geen voordeel is van lavage op het primaire eindpunt van ernstige morbiditeit en mortaliteit.

In geval van geperforeerde diverticulitis is er een verhoogde kans op ontwikkelen van hernia cicatricalis. In enkele dierexperimenten werden synthetische en biologische meshes onderzocht op infectieuze complicaties, adhesie vorming en ingroei  na implantatie in schone en gecontamineerde omgeving. Er werden significant meer mesh infecties gevonden na implantatie van gecrosslinkte biomeshes en synthetische meshes C-Qur en Dualmesh. Ingroei van biologische meshes in de buikwand varieerde tussen de 0 en 39%. Opvallend was de complete verdwijning van Surgisis meshes.  De slechte ingroei, hoge percentage meshinfecties en complete verdwijning maakt lange termijn biomechanische kracht van hernia herstel met behulp van biologische meshes twijfelachtig.

 

Process Improving in Sleeve Gastrecotomy - Pim van Rutte

One of the biggest advances in surgery of the past decades has been the shift to a minimally invasive approach. The advantages of minimally invasive surgery have been proven extensively in bariatric procedures, making this approach standard of care. As the prevalence of morbid obesity is increasing rapidly, there is a need for a minimally invasive surgical procedure with high safety, efficacy, efficiency and sustainability. The procedure should be technically easy to perform, reproducible, easy to learn, it should have a low risk of complications, lead to optimal weight loss and reduction of comorbidities and its results should last as long as possible. The laparoscopic sleeve gastrectomy has become an important pillar in the treatment of obesity.
The aim of this thesis was to study the results of the sleeve gastrectomy as a stand-alone procedure. The focus was on safety and efficiency and it was studied what crucial parts of the process could be improved or optimised. Therefore, we divided the process into three phases to create a clinical pathway. The first phase is the preoperative screening of the morbid obese patient. In this thesis, the findings are discussed of the reported studies that have contributed to or will lead to improvement of the screening phase. The next phase is the surgical procedure itself. The studies that reported the results of the next phase, the surgical procedure itself, and the adjustments that have contributed to increased safety and efficiency of the procedure are also discussed in this thesis. Furthermore, recommendations for further improvement of the procedure and future research are given based on the reported studies. The last phase is the follow-up phase. The studies concerning evaluation of and adjustments to this final phase of the process are discussed.
In conclusion, the sleeve gastrectomy has the potentials to become the new gold standard in the treatment of morbid obesity. A global consensus should be reached on the performance of a uniform sleeve gastrectomy procedure. There is still room for improvement with regard to reduction of the major complications and to treatment options in case of failure of the process. Non-surgical causes of complications should be further investigated, and once the procedure has been optimised, the focus should shift to the postoperative phase.

 

Treatment strategies in recurrent and ongoing diverticulitis - Marguerite Gorter-Stam

Each year approximately 22,000 patients in the Netherlands are seen in the emergency department with suspected diverticulitis. This leads to an estimated 18,000 admissions a year with total estimated costs of 40 to 80 million euro per year. Diverticulitis is thus one of the most common and costly benign gastrointestinal diseases in the western population. It is estimated that 70% of the population aged 70 and older have diverticula in the colon. Of these patients approximately 25% will experience one or more episodes of diverticulitis. In patients with recurrent diverticulitis the frequency of relapses may vary from every three months to once every 10 years. In most cases the first relapse will take place within five years after the initial episode. If symptoms persist after a first or recurrent diverticulitis - such as left lower abdominal pain, persistent fatigue, difficulty with bowel movements, decreased appetite and episodes of fever, referral to a specialist is in place. Several aspects of both the etiology and treatment of patients with diverticulitis are subject of debate. Some of them will be discussed in this thesis.

 

Towards individualized treatment for esophageal cancer - Peter van Rossum

Despite recent improvements in staging, multimodality treatment, and perioperative care, esophageal cancer remains a devastating disease with a 5-year overall survival rate of only 15- 25%. As prognosis is often poor, multimodality (rather than single modality) treatment approaches are frequently applied to increase the chances of cure. For patients the multitude of burdening treatment modalities are hard to undergo and exhibit substantial risks of serious side effects without knowing whether all components (e.g. chemotherapy, radiotherapy, surgery) contribute to the desired outcome on an individual basis. The studies presented in this thesis aimed to open a window to move towards individualized care for patients with esophageal cancer enabling selection of only those treatments that are best for the individual patient and omission of components that contribute little to (or even deteriorate) the well-being of the patient. To reach this goal, important current limitations were exposed and improvements were proposed with regard to the diagnostic work-up, multimodality treatment strategies, treatment response assessment, and the risk prediction, prevention, and management of postoperative complications.

 

Practical issues in treatment of appendicitis - Charles van Rossem

Appendicitis is a common cause of acute abdominal pain and appendectomy is still the gold standard of treatment. In spite of the high incidence, variance in diagnostic and treatment modalities remains an issue among surgeons. In this thesis several practical issues in the diagnosis and treatment of appendicitis are investigated and discussed. The now standard preoperative imaging in the Netherlands successfully limits the normal appendectomy rate. Laparoscopy lowers surgical site infection rate compared to open surgery but currently no longer increases intra-abdominal abscess rate. After surgery for acute complicated appendicitis the standard prolongation of antibiotic treatment can be limited to 3 days and possibly even shorter. For closure of the appendix stump in laparoscopy, routine endoloop use is advised over endostapler use for cost considerations.

 

Pediatric Minimal Invasive Surgery - Implementation into current surgical practice and impact on neonatal physiology - Stefaan Tytgat

A growing number of pediatric surgical indications can be treated by minimally invasive surgical techniques. Proponents of minimally invasive surgery claim that there is less surgical trauma, faster recovery and better cosmetic outcomes. The magnification of the operative field and the ability to access and perform surgery in limited anatomical spaces has advantages that are especially appealing to pediatric surgeons.
This thesis discusses several aspects of pediatric minimally invasive surgery. In the first part we describe how minimally invasive surgical treatments in our hospital have evolved since their introduction. Also the institutional learning curve of thoracoscopic esophageal atresia surgery is described. In the second part we studied the effect of the applied pneumoperitoneum or pneumothorax in animal models. We found impaired intestinal anastomotic healing when high pressure pneumoperitoneum (10 mmHg) was applied as compared to open surgery or low pneumoperitoneum pressures (5 mmHg). High-pressure pneumothorax application led to severe impairment of cardiovascular functions, which was accompanied by higher cerebral oxygen extraction, possibly by impaired cerebral perfusion. In the third part of the thesis the effects of minimally invasive surgery on the vascular response, physiology, and cerebral perfusion in neonates and small children is investigated. We evaluated the sublingual vascular response by the application of 8 mmHg pneumoperitoneum during laparoscopic correction of pyloric stenosis in young infants. Elevation of the end tidal carbon dioxide during the pneumoperitoneum was accompanied by an increased sublingual microvascular dilatation, this effect was abolished when the pneumoperitoneum stopped. In a similar group of patients brain oxygenation, recorded by near-infrared spectroscopy, remained stable during the laparoscopic procedure. During esophageal atresia corrections, intrathoracic carbon dioxide insufflation with a maximum pressure of 5 mmHg caused a reversible oxygen saturation drop, hypercarbia, and acidosis, all of which remained within acceptable limits. Blood pressure fluctuations could be avoided by fluid expansion or inotropic support; cerebral oxygenation remained stable during the procedure.
Laparoscopic procedures have become an established approach in children and neonates in our pediatric surgical training center. For thoracoscopic esophageal atresia correction there clearly exists an institutional learning curve. High pressure pneumoperitoneum pressures should be avoided as this can impair intestinal anastomotic healing. In thoracoscopic surgery high pressures pneumothorax of 10 mmHg should be avoided as this can cause severe hemodynamic instability. The laparoscopic procedure for the treatment of pyloric stenosis can be performed under safe physiological conditions. Only a minimal reversible microvascular response was seen, which had no effect on cerebral oxygenation. Esophageal atresia can safely be corrected by thoracoscopy if there is a close collaboration between the anesthesiologists, neonatologists and pediatric surgeons. Furthermore, close monitoring and protocolized management of physiological parameters can result in stable anesthetic conditions with sustained cerebral oxygenation in neonates during prolonged thoracoscopic surgery.

 

Minimally invasive strategies for the surgical treatment of colonic peritonitis - Sandra Vennix

Acute peritonitis wordt in de meeste gevallen veroorzaakt door een perforatie van het colon, zoals bij geperforeerde diverticulitis en postoperatieve naadlekkage. Beide ziektebeelden vereisen operatief ingrijpen wat wordt gekenmerkt door een hoog risico op postoperatieve complicaties en mortaliteit. Voor beide ziektebeelden is de invasieve laparotomie met Hartmann procedure (sigmoidresectie met eindstandig colostoma) nog altijd de gouden standaard. Dit proefschrift bestudeerd de mogelijkheid van minder invasieve strategieën in de behandeling van deze ziektebeelden in de hoop hiermee deze complicaties en mortaliteit te reduceren.
Een van deze opties is laparoscopische lavage (spoelen van de buikholte) voor geperforeerde diverticulitis met enkel purulente verontreiniging. Dit is uitgezocht in de gerandomiseerde Ladies trial, waarin in de LOLA arm laparoscopische lavage werd vergeleken met een sigmoidresectie. Ondanks positieve resultaten in eerdere niet-gerandomiseerde studies kon deze studie geen voordeel aantonen van lavage op het primaire eindpunt van ernstige morbiditeit en mortaliteit. Wel is er sprake van een kostenvoordeel in deze groep. In een analyse van een grotere groep met studie patiënten gecombineerd met de niet gerandomiseerde patiënten bleek niet de operatieve strategie (lavage, primaire naad of Hartmann), maar wel een lage preoperatieve APACHE-II score en verrichten van de operatie door een gastro-intestinaal chirurg de postoperatieve mortaliteit te verlagen.
In de meeste studies wordt laparoscopische lavage met open sigmoidresectie vergeleken, waarop we in een systematische review en een cohortstudie de vergelijking hebben gemaakt tussen laparoscopische en open sigmoidresecties. Hieruit blijkt dat laparoscopische sigmoidresectie goed mogelijk is met weinig conversies en reinterventies, minder postoperatieve morbiditeit en kortere opnameduur tegen lagere kosten voor zowel purulente als faecale geperforeerde diverticulitis.
Ook in geval van postoperatieve naadlekkages blijkt laparoscopische reinterventie in plaats van laparotomie een geschikt alternatief met minder IC opnames, reinterventies en mortaliteit en kortere opnameduur. Daarnaast blijkt laparoscopisch vaker een naad-sparende operatie te worden uitgevoerd, terwijl bij laparotomie vaak direct de naad wordt ontmanteld en een stoma wordt aangelegd.

 

Improving the outcomes of esophagectomy: anatomic, surgical and postoperative aspects - Teus J. Weijs

 Dit proefschrift draagt bij aan de ontwikkeling van de thoracoscopische oesofagus chirurgie. De bindweefsellagen (meso-oesofagus) rond de oesofagus worden beschreven zoals deze worden tegengekomen tijdens een thoracoscopische oesofagus resectie. Ook werd een techniek ontwikkeld en gevalideerd om de takken van de nervus vagus naar de long te sparen tijdens thoracoscopische oesofagus resectie. Tot slot onderzochten we of vroege orale voeding veilig is en haalbaar na een horacoscopische oesofagus resectie.

The Effects and Efficacy of Antireflux Surgery in Childeren - Femke Anne Mauritz

Gastroesophageal reflux disease (GERD) frequently occurs in the pediatric population. In severe GERD resistant to medical treatment, laparoscopic antireflux surgery (LARS) may be indicated. The overall aim of the studies presented in this thesis is to assess the effects and efficacy of LARS in children, to identify predictors for success and to determine which type of fundoplication is the best technique in pediatric GERD patients. The efficacy of LARS in controlling GERD symptoms after short-term follow-up is high (88%), however after 10-to-15 years follow-up only 57% of patients were symptom free. In contrast to previous published studies debating a possible inferior effectiveness of LARS in children with impaired neurodevelopment (NI), we demonstrate in this thesis that LARS is equally effective in NI children compared to children with normal neurodevelopment.

Abdominal Wall Hernia Repair - Marc H.F. Schreinemacher

With the introduction of general anaesthesia in 1846 abdominal surgery became possible. One and a half centuries later, techniques and outcomes in abdominal surgery have improved tremendously. Yet still up to 32-52% of surgical patients experience one or more complications in the early days after their operation. The most common of these are wound, bladder and pulmonary infections that occur typically within 30 days after the operation. Though emphasis is generally put on short-term complications, less interest has been paid to the complications of abdominal surgery occurring months or even years after the operation. The most common of these, unrelated to specific procedures, are pain, adhesion related bowel obstruction and abdominal wall hernia.
This thesis investigates intraperitoneal mesh placement and adhesion formation in the repair of these abdominal wall hernias.

Jouw proefschrift hier ook bij?

Via de NVEC kun je in aanmerking komen voor proefschrift ondersteuning. Wij kennen sponsoring toe op de volgende voorwaarde:

 - Voor adequate beoordeling van het sponsorbedrag ontvangen wij graag de titel van het proefschrift, de titels van de verschillende hoofdstukken met abstracts, en een samenvatting van het gehele proefschrift.
- Tenminste 2 hoofdstukken uit het proefschrift moeten minimaal invasieve chirurgie als onderwerp hebben.
- De naam NVEC dient (Nederlands Vereniging voor Endoscopische Chirurgie) als begunstiger in het proefschrift te worden vermeld.

Het richtbedrag van sponsoring is €250,-, hier kan bij valide reden, zowel in positieve als negatieve zin, van worden afgeweken. 

Stuur hiervoor je voorstel op naar info@nvec.nl voor beoordeling en wie weet sta je hier dan binnenkort ook tussen!